In het communistische Laos waren spijkerbroeken tot voor kort nog officieel verboden, maar tegenwoordig lopen alle meiden er in rond. Toch blijft traditioneel handwerk sterk verweven met de Laotiaanse cultuur. Handgemaakte rokken door de Tai Dam, indigoblauwe stoffen van de Lanten of geborduurde accessoires van de Akha: journalist Wilke Martens, die twee jaar in het land woonde, onderzoekt de handwerkgeheimen van Noord-Laos.

Een foto van Zin Magazine, opengeslagen op het artikel 'Noord-Laos, handwerk in de genen'.

VOOR

Zin Magazine

WAT

reisreportage

WANNEER

mei 2018

Voetje voor voetje schuifel ik met talloze andere toeristen onder de rode partytenten die zij aan zij staan opgesteld aan de Sisavangvong Road in Luang Prabang. Een Amerikaanse toerist bestudeert zilverkleurige eetstokjes, die ironisch genoeg zijn gemaakt van het metaal van de miljoenen clusterbommen, die in de jaren 60 door Amerika op Laos zijn gedropt. Een andere verkoopster onderhandelt druk met een backpacker over de prijs van een Beer-lao-shirt, terwijl haar baby aan haar borst zijn honger stilt. Zijn zus zit op de grond, gebogen over een schrift waarin ze de 27 krullerige medeklinkers van het Laotiaanse alfabet oefent.

Luang Prabang trekt jaarlijks miljoenen toeristen sinds het in 1995 de werelderfgoedstatus heeft verworven vanwege haar unieke mix van boeddhistische en Frans-koloniale architectuur. Hoewel de communisten na hun overwinning in 1975 probeerden westerse invloeden buiten de deur te houden, stelde het land zich begin jaren 90 open voor toerisme. Inmiddels trekken de verkopers dag in, dag uit hun karren de straat in om hun handgemaakte souvenirs minutieus uit te stallen op zwarte kleden op de grond. Wat een monnikenwerk, concludeer ik, als ik naar min of meer gelijke portemonneetjes kijk, rijen dik. Bij de kraam ernaast liggen stapels notitieboekjes met bloemdecoraties, daarnaast handbeschilderde bamboe smartphonespeakers. Iedere vijf, zes kramen lijkt de reeks zich te herhalen. Waarom worden toch zoveel soortgelijke souvenirs verkocht, terwijl Laotianen uniek handwerk maken? Dat vraag ik me af, na de zoveelste dertien-in-een-dozijnkraam.

Tradities naar westerse smaak

“Weven, borduren, batik: de verschillende minderheden in Laos hebben elk hun hand- werkspecialiteit,” vertelt Joanna Smith van Ock Pop Tok, de organisatie die Laotiaans handwerk internationaal op de kaart wil zetten. “De kwaliteit is perfect, maar de ontwerpen zijn vaak ongeschikt voor de westerse markt. Daarom huren we lokale vrouwen in om plaids, kleden en tunieken te maken, met tra

ditionele technieken maar westers design.” Het nobele initiatief is inmiddels uitgegroeid tot een toeristische trekpleister: het Living Crafts Centre van Ock Pop Tok, net buiten Luang Prabang. In de enorme tuin struin je langs een tentoonstelling over de productie van zijde. Even verderop kun je dames zien weven of kun je textiel verven tijdens een workshop. De zijderoute door het themapark eindigt steevast in de winkel, die volhangt met prijzige accessoires. Ik twijfel er niet aan dat lokale vrouwen – en daarmee hun gezinnen – hiervan profiteren, maar toch voelt Ock Pop Tok als een Efteling voor handwerk- liefhebbers. Waar vind ik toch de echte ambachtslieden?

Van sin naar spijkerbroek

Wit, goud en metallic rood: drie gekleurde garenklosjes liggen op de kruk van Oun, de Laotiaanse vrouw die ik ‘Oma’ ben gaan noemen gedurende de twee jaar dat ik in Luang Namtha woonde, een klein stadje in het noorden van Laos. Een puppy dartelt om de hou- ten poten van het provisorisch ogend weefgetouw, onder het afdak naast Oma’s huis. Met een van haar echte kleinkinderen in haar armen staat Oma me op te wachten. Samen met Nuan, haar zus, wil ze me laten me zien hoe een sin wordt geweven, de traditionele Laotiaanse rok die wordt gekenmerkt door een brede rand borduursels op de zoom. Iedere vrouw, jong of oud, heeft diverse sins in haar garderobe. Eenvoudige katoenen met een simpel patroon onderaan, om naar het werk te gaan. Of peperdure zijden sins, waar met de hand hele kunstwerken op geborduurd zijn, voor bruiloften.

De schering van purperrode draden is op het weefgetouw gespannen. Met haar voet drukt ze een pedaal in om de ‘sprong’ te maken: de opening tussen de draden, waar Oma de spoel met de hand haaks doorheen laat gaan. Van links naar rechts, en weer terug. Zo nu en dan wisselt ze de basiskleur af met de kleinere klosjes. Door haar noeste arbeid ontstaat er langzaamaan een lap zijde op het weefgetouw, met veelkleurig dessin. “Ongeveer een dag doe ik over één sin,” zegt Oma. Voor vijftigduizend kip, zo’n vijf euro, staat ze ermee op de markt, waar de rok moet concurreren met spijkerbroeken van Chinese makelij. Gek genoeg was het nog maar enkele decennia geleden dat spijkerbroeken – als symbool van Amerika, de vroegere vijand – officieel verboden werden.

“Ik was verpleegster tijdens de oorlog,” vertelt Oma. Ondanks dat de royalisten met grof geschut werden gesteund door de Verenigde Staten, won de communistische verzetsbeweging Pathet Lao in 1975 na een decennialange burgeroorlog, die in de schaduw van de Vietnamoorlog werd uitgevochten. “Als de Amerikaanse bommenwerpers overvlogen, hield ik me wekenlang schuil in de jungle – dit was in die tijd allemaal nog jungle.” Oma kijkt uit over haar erf, waar in de verte een van haar schoonzoons een visvijver staat uit te graven. “Ik haatte de Amerikanen toen, met hun vliegtuigen en bommen, terwijl wij niets meer hadden dan jachtgeweren.” Wrok koestert ze niet meer, zegt ze resoluut. Ze lacht: “Al mijn dochters en kleindochters dragen spijkerbroeken.”

Opleving van de zijderups

Ongemakkelijk zit ik de volgende dag achterop de oude dirtbike van Ponsak, een van mijn vrienden. Met een rotvaart scheurt hij over de hobbelige zandweg, zonder te wijken voor kuilen en keien. We zijn onderweg naar Ban Poung, het nabijgelegen dorp dat is gekoloniseerd door de zijderups. Schijnbaar is de kwaliteit van deze Laotiaanse zijde zo hoog, dat Japanse handelaren en masse de productie opkopen. Geen wonder dat de Laotianen zijn overgestapt op spijkerbroeken… Toch weet ik dat ze genoeg zijde zullen bewaren om sins te maken; een broek dragen naar een bruiloft is taboe, hoe rap de samenleving in ruraal Laos ook verandert.

Ponsak stopt bij een huis waar we zijderupsen kunnen zien, iets wat alleen in het voorjaar mogelijk is. De Laotianen volgen het natuurlijke beloop van de rups, die in maart en april zijn witte of gele cocon spint. Onder de woning op palen staan twee weefgetouwen, op één is de vrouw des huizes druk bezig. Ponsak maakt een praatje met haar, terwijl ik toekijk hoe behendig ze weeft. Dan valt mijn oog op het lage plafond, waar een kronkelend, geel rupsje aan bungelt. Het plafond hangt vol met bamboe platen, die zijn afgedekt met katoenen doeken. Eronder lig- gen tientallen bamboe koepeltjes, waarin de rupsen hard werken aan hun cocons. Hier en daar is er een aan zijn noeste arbeid ontsnapt, om verloren te zoeken naar zijn warme omhulsel. Gefascineerd bestudeer ik de rupsen, die nu alleen nog maar lucht en warmte nodig hebben om de kostbare zijde te produceren.

“Maar hoe komen ze hier eigenlijk, die honderden rupsen bij elkaar?” vraag ik Ponsak. Hij neemt me mee naar een andere woning, waar een vrouw een grote bamboe mand laat zien. De mand ligt vol met bladeren, waartussen talloze witte rupsjes krioelen. “Babyrupsen,” vertaalt Ponsak. “De jonge rupsjes worden gekocht van een handelaar, waarna ze zich een paar maanden volvreten aan bladeren van de witte moerbei. Als ze groot genoeg zijn, worden ze aan het werk gezet, zoals we net gezien hebben. Door de cocons te koken wordt voorkomen dat de vlinder uitkomt, dit zou de cocon beschadigen en de zijde onbruikbaar maken. Daarna wordt de meterslange draad ontrafeld en gewassen, om vervolgens schoon op een spoel te worden gesponnen.”

Parels van het platteland

Regelmatig zag ik Oma in de weer met de zij- de: grote klossen pas gewassen witte en gele zijde hing ze te drogen aan een lange bamboe staak, terwijl ze naast het huis grote pannen op een houtvuur zette. Planten die ze had verzameld in de natuur, stonden te pruttelen om er rode, gele en groene kleurstof van te trek- ken. Toch zijn het niet de Tai Dam, de etnische groep waartoe Oma behoort, maar de Lanten die bekendstaan om hun verftechnieken. In Ban Nam Dee, een dorpje op nog geen half uur fietsen vanaf Luang Namtha, draagt het leeuwendeel van de bewoners hun traditionele indigoblauwe kleding. Wijde broeken, met daarboven een tuniek in dezelfde indigo stof. Vrouwen dragen een ceintuur van paars draad en een soort scheenbeschermers van wattige, witte stof. Hun halzen worden gesierd door stevige, zilveren kettingen.

Over de kiezelige weg fiets ik langs de rivier, die ik stroomopwaarts volg naar de Nam Dee-waterval. Een vrouw staat tot haar kuiten in het water om een pas geverfde lap uit te spoelen. Door met een houten stok op de lap te slaan, zet ze het proces kracht bij. Het lichtbruine water wordt donkerblauw. Even verderop hangen de blauwe lappen aan een bamboe droogrek. Ik zet mijn fiets ernaast en wandel door het dorpje. Bosjes gedroogde mais en knoflook hangen op veranda’s te drogen, een stokoude man maalt graan met een levensgrote vijzel, een vrouw roert met een grote stok door een emmer met witte drab. Met een soeplepel schept ze wat van de pulp op een gespannen doek, om het vervolgens flinterdun uit te smeren en in de zon te drogen te zetten. Papier van bamboe, zie ik, als ik dichterbij kom. Het droogt snel, behendig trekt de vrouw het vel los en vouwt het op. De vellen worden los verkocht, maar er worden ook notitieboeken van gemaakt.

Handwerk om tijd te doden

Ik vervolg mijn weg naar Ban Nam Ngeun, een dorpje in de buurt, waar onder vrijwel ieder huis een vrouw achter een weefgetouw zit. Terwijl je in Luang Namtha wordt belaagd door Akha-vrouwen die armbandjes, tasjes en Franse munten aan je willen slijten, blijkt het hier een uitdaging om iets te kopen. Na lang rondvragen, neemt een dame me mee naar een houten gebouw en opent de deur. Stof dwarrelt omhoog, maar de sins en sjaals schitteren in het strijklicht dat naar binnen valt. Mijn oog valt op een parelwitte zijden sjaal. Zelfs de maakster wordt erbij gehaald als ik besluit de aankoop te doen! Het zijn niet de peperdure boetieks in Luang Prabang, maar de verscholen winkels in de omgeving van Luang Namtha die me blijven verrassen.

Op de terugweg stop ik bij de markt om fruit te kopen: longans, familie van de lychee, zijn mijn favoriet. Ik zet mijn fiets in de stalling, waar de beheerster goedlachs haar haakwerkje opzij legt om duizend kip parkeergeld te innen. Terwijl ik over de markt struin, valt me op hoeveel vrouwen én mannen met handwerk de tijd doden als er geen klanten zijn. Het viel me ook al op in andere plaatsen in Noord-Laos: de man in Phongsali, die op zijn veranda bezems maakte van gedroogd gras; de man in het Akha-dorp vlakbij Muang Sing, die manden vlocht van plastic straps; een andere man maakte matten van repen bamboe, in een afgelegen dorp waar plastic nog niet was doorgedrongen. Ongeacht de plek en het materiaal: handwerken lijkt wel in de Laotiaanse genen te zitten. Echte ambacht, besluit ik, schuilt hier in iedereen.